Home ReisverhalenBalkan, westelijk Servië najaar 2013

Servië najaar 2013

door Chris
Servië

Paradijs

Geïnspireerd door wat foto’s op google earth rijden we zo’n 6 kilometer ten zuiden van het Servische Knjaževac hoopvol een smal asfaltweggetje naar beneden, dit weggetje begint bij een parkeerplaats bij een waterkraantje op de weg naar Kalna en loopt rond een rots met een groot kruis erop. Beneden kom je op een groot veld aan de rivier, een soort strandje met een diepe zwemplek, een eenvoudig bruggetje met aan de overkant picknickplekken in de schaduw en een hangtouw boven het diepe gedeelte van de rivier (de Trgoviški Timok).

We parkeren de auto op het strandje en lopen verrukt rond. Er zijn prachtige rotsformaties en heel bijzonder voor zo’n mooie plek: we zijn er alleen!

Het is er stil en de eerste uren zien we niemand, het weer is wisselend: de zon is vaak weg, maar de temperatuur blijft prima.

Eindelijk een kampvuur!

Ik ga hout zoeken voor een kampvuur en verken meteen de omgeving, er zijn echt grote vlakke velden om te kamperen en dat zal zomers ook wel gebeuren. Er ligt niet veel hout, al kan ik wat jatten bij een verlaten kampvuur. Het regent af en toe en bij een wat groter buitje zitten we steeds een paar minuten in het busje.

Dan besluiten we dat we wel even kunnen zwemmen en ook het badgoed kan wel droog blijven. Fijne koude regenspatjes op onze huid en dan het heerlijke (koude) bad in! Zalig! Dan maken we het kampvuur aan, het blijft een heel beschaafd vuurtje. Bij een volgend buitje zitten we onder de klep naar de onweersflitsen te kijken. En dan horen we echte stortbuien aankomen, we springen net op tijd het busje in. Vanuit het achterraam houden we het vuur in de gaten, maar dat is al snel uit.

18 september
Tijdens de ochtendkoffie komt de zon over de berg en als we even later zitten te lezen (zullen we hier vandaag blijven?) komen er twee mannen met een agria (voorzettrekkertje) om twee banken en een tafel te brengen. Ze spreken een paar woorden Engels en komen schuchter vragen of wij hier de hele dag blijven. Ze willen hier namelijk over een uur of drie een “desk” opbouwen en dan komen er ongeveer 10 mensen een feestje vieren. We hebben alle begrip en zeggen dat we verderop gaan staan als we blijven. Ze zetten de spullen in het zand en vertrekken weer.

We gaan op onze crocks de kloof verkennen en daarna nog het pad over het boomstambruggetje. En dan besluiten we om weer verder te trekken, althans na een laatste zwempartij.

Een bijzonder grappig misverstand

In Svrljig eten we in een al lang van te voren aangekondigd restaurant aan een internationale route, heel grappig dat er met het bestellen, behalve het woord “mushrooms”‘geen enkel Engels woord kan worden gebruikt. We bestellen de specialiteit van het huis, een tomatensalade en een koolsalade, we kennen ondertussen een paar woorden Servisch.

Alleen met de specialiteit is er iets met de hoeveelheid, maar we begrijpen elkaar niet, dus we knikken uiteindelijk maar. Na de heerlijke salades komt er een schaaltje verrukkelijke champignons en aangezien ik denk dat er verder niets meer komt, begin ik er aan, maar Ton blijft volhouden dat hij dat liever bij zijn “stukje” vlees wil eten en inderdaad wordt er na 10 minuten nog iets op tafel gezet:

We willen wel wat mee in een doggy-bag en dat is geen probleem. Twee Japanners komen eten en ze hebben hetzelfde probleem, ze halen een boekje “Servisch-Engels” uit de auto en vragen of Ton Engels spreekt. Ja, hoor, alleen geen Servisch! Ze willen een halve portie met zijn tweeën opeten, maar of het ze lukt…., wij gaan weer verder.

In Niš rijden we verkeerd zodat we de halve stad door moeten en voorbij Prokuplje vinden we in een zijdal een eenvoudige plek tegen een boomwal in de velden, af en toe komt er in de verte een trekker voorbij. Het is warm en meestal zitten we in de schaduw.

Een zwarte eekhoorn met een wit buikje en een flinke noot in zijn bek loopt op vier meter afstand door het struikgewas. Als de zon onder gaat wordt het snel koud.

De griezelige aardpiramides van Davolja Varoš

19 september
We kopen in verschillende dorpswinkels brood, 3 ons suiker in een roze zakje uit een blauw teiltje, appelsap en biertjes. Voorbij Kuršumlija ontbijten we in Rado Motel aan weg 25, waar ze ook wifi hebben en zo lezen we dat er vanochtend een politieagent/douanier is doodgeschoten in Kosovo. Uiteraard staat er een soap aan op t.v. en komt er radiomuziek vanuit een andere hoek. De serveerster is erg lief en grappig.

De reden dat we ons hebben begeven naar deze uithoek van Servië, vlakbij de grens met Kosovo is dat er hier iets bijzonders is: Davolja Varoš, een natuurmonument met aardpiramides. Als de wind erdoor heen blaast kunnen er enge krijsende geluiden ontstaan en plaatselijke legendes zorgen verder voor de naamgeving: de duivelsstad.

De natuurlijke attractie staat goed aangegeven en de wegen zijn goed. Voor we het weten staan we op een parkeerplaats met diverse souvenirkraampjes. De toegang kost 350 RSD p.p. (dus zo’n 3,5 euro) Na een koele boswandeling door een gebied met mijnen en gekleurde bronnen en dan een flinke klim via trappetjes in de gloeiende zon zien we de vele rotsformaties.

Overal zijn paden, trappetjes en uitkijkplatforms gemaakt. We belanden ook nog bij een kerkje, waar je je wens op een stukje witte zakdoek mag schrijven en aan een boomtak mag knopen: “het helpt altijd” staat erbij in het Nederlands.
Op de terugweg zien we nog een paar bezoekers. Na anderhalf uur zijn we weer terug op de parkeerplaats. We gaan lunchen in het motel waar we hebben ontbeten. We zoeken iets uit van de kaart, en nog iets voor als dat er niet is, en eten uiteindelijk wiener schnitzel en goulash, toch ook erg lekker.

Een vervallen kuurhotel

In Kuršumlija zoeken we een weg parallel aan de Kosovaarse grens richting ons volgende doel: Nationaal Park Kopaonik, we bestuderen een bord met cyrillische letters en meteen komt er een jongen naar ons toe: alsmaar rechtdoor! We volgen een rivier en zien na zo’n 10 kilometer iets heel geks: er komt stoom en water uit een bouwsel aan de kant van de weg met er omheen wit en groen water. We voelen aan het water: erg heet! en we ruiken zwavelgeur.

Een jongen komt naar ons toe en stelt zich voor. In goed Engels legt hij uit dat dit bronwater vroeger met die kapotte pomp in dat bouwsel naar het kuurhotel aan de overkant van de straat werd gepompt. Hij is nu één van de beheerders van het bouwvallige hotel. Hij vertelt dat er hier in 1990 veel gebouwen zijn gebombardeerd en een 7-jarig proces tegen de Servische Staat is onlangs gewonnen door de eigenaar van het kuurhotel, zodat misschien over een jaar het gezonde water weer gebruikt gaat worden. De dorpsbewoners gebruiken het nu alleen voor de afwas om energie uit te sparen. Het hele dorpje wil graag dat alles weer mooi wordt. Er zijn zeven verschillende heilzame bronnen hier.

We lopen met hem mee voor een paar brochures en van binnen ziet het hotel er erg luxe uit. Uiteindelijk vraagt hij nog even waar wij naar toe gaan. Voor Kopaonik zitten we fout, want deze weg loopt verderop dood bij de Kosovaarse grens, we zijn hier in Kuršumlijska Banja. De weg die we hadden willen nemen is volgens hem geblokkeerd door de aanleg van een stuwmeer, dus we moeten omrijden via Blace en Brus. Volgens hem kunnen we dan wel kamperen bij het tussen deze dorpen in gelegen stuwmeer Jezero Ćelije.

Nationaal Park Kopaonik

Zo gezegd, zo gedaan, we vinden een parkeerplaats aan een zijtak van het meer, waarvan het water bestemd is voor drinkwater voor de grote stad Kruševac.

Ondertussen is het gaan miezeren, Ton voert een heel brood aan de vissen, twee reigers zwieren over ons heen en we nemen een biertje. Het is door het wolkendek ’s avonds niet koud en we zitten de hele avond voorin het busje.

20 september
Het is ’s ochtends koud en nevelig, we zijn dus al vroeg weer op stap. Langs toeristisch aan een rivier gelegen restaurantjes begint de goed in het asfalt zittende weg te stijgen en het uitzicht wordt steeds mooier, behalve helemaal boven: superlelijke wintersporthotels. Iets na de 1788 meter hoge pas zien we een waterkraantje en we vullen bad- en flessenwater bij.

Een oude en krom gegroeide vrouw speurt samen met haar twee honden in de afvalcontainers, ze vindt een homp brood. Ik ga naar haar toe met wat geld, een brood en een blikje vleespastei. Ze houdt haar tas open maar doet een zwakke poging om het geld te weigeren. Doberdaan, doberdaan, hoor ik haar nog zeggen als ik wegloop, het enige gezamenlijke woord dat we kennen.

We rijden de mooie pas weer naar beneden, laten soms een jakkerende Serviër voor en zien dan vreemde aangelegde heuvels waarvan we niet kunnen bedenken waar die voor zijn.

Vlakbij Kosovo

Aangezien de grens met Kosovo links is slaan we rechtsaf naar Raška, in Kosovo moet je immers een dure autoverzekering aanschaffen. We rijden dwars door Novi Pazar en bij een driesprong bij de oude stad Ras vinden we een gloednieuw toeristisch gebeuren. We nemen het Ras-gerecht voor twee personen, dit blijkt heel veel vlees. Alles in dit restaurant en de “tuin” eromheen is het volgens ons net niet: de stoelen kraken, alles zit net een beetje vreemd en scheef, snoeren zijn net niet helemaal weggewerkt en de “meterkast” bevindt zich achter mij:

Dan hebben we liever echt krakkemikkig, dat heeft meer charme! Er zijn hier ruïnes en grotten. Een bus vol Duitse toeristen en een paar orthodoxe geestelijken komen eten en ik hoor ze praten over het dodelijke schietincident van gisteren en dat ze daarom Kosovo deze reis overslaan.

In Tutin lopen we nog een stukje de kloof van de Vidrenjak in, maar besluiten een vlakkere omgeving voor de nacht te zoeken want dan kunnen we langer van de zon genieten. Lees verder op pagina 7.

Dit vind je misschien ook leuk

Schrijf een reactie